Het verhaal van Faruk, verteld door Mary.

Het verhaal van Faruk, verteld door Mary.

(Opgetekend door Wessel.)

Mijn partner Faruk vluchtte in 1992 uit Kosovo. Nadat hij was afgezwaaid uit militaire dienstplicht werd hij opnieuw opgeroepen. Daar is hij niet heen gegaan waardoor hij gezocht werd en het land moest verlaten. Dat was hij toch al van plan geweest omdat hij als Albanees zijnde geen enkele kans op werk had in het door Servië gedomineerde Kosovo.

Na enige omzwervingen kwam hij in 1994 aan in Nederland waar hij asiel aanvroeg als dienstweigeraar. De Joegoslavische burgeroorlog was inmiddels al geruime tijd aan de gang. Zijn asielverzoek werd echter afgewezen, ook in hoger beroep en in een tweede procedure. Jaren moest hij wachten, zonder dat hij mocht werken.

In 1997 is hij getrouwd. Op grond van dit huwelijk kreeg hij toen een voorlopige verblijfsvergunning, een werkvergunning en een sofi-nummer. Hij liep hierdoor echter ook een pardon mis wat aan vele andere vluchtelingen uit Joegoslavië werd verleend. In 2001 liep zijn huwelijk stuk. Aangezien hij geen zelfstandige verblijfsvergunning had werd hij toen "illegaal". Door de koppelingswet, ingevoerd in 1999, verloor hij zijn sofi-nummer, zijn baan, en al zijn rechten. Hij moest zich vanaf dat moment met zwarte baantjes in leven houden. Dat lukte hem ook wel, want hij is altijd een harde werker geweest, maar menswaardig zijn de omstandigheden waaronder hij leefde en werkte niet te noemen. Hij woonde toen bij een huisjesmelker op een zeer klein kamertje.

In 2002 leerde ik hem kennen in het uitgaansleven. Het duurde toen nog een ruime tijd voor we een relatie kregen rond het eind van het jaar. In mei 2003 werd hij uit zijn kamer gezet. Hij is toen bij mij komen wonen. Op zich wilde ik ook wel samenwonen, maar ik was er eigenlijk nog niet aan toe, waardoor de situatie mij nogal overviel. Toch is het goed gegaan en hadden we het prettig met elkaar.

Ik had toen een bijstanduitkering van de sociale dienst. Ik had namelijk in 1999 een auto-ongeluk gehad waarbij ik een whiplash had opgelopen. Daarvóór had ik een goede baan, maar toch ben ik de ziektewet uitgegooid omdat mijn keuringsarts tegen het advies van mijn eigen artsen in van mening was dat ik wel weer kon werken.

Toen Faruk bij me kwam wonen kon ik dat niet melden aan de sociale dienst, aangezien hij geen verblijfsvergunning had. Mijn melding zou dan immers doorgegeven worden aan de vreemdelingenpolitie. Overigens werd ik er financiëel ook niet beter van want huur betaalde hij me niet. We deden samen boodschappen, maar verder hielden we ons geld gescheiden. Faruk stuurde geld naar zijn familie in Kosovo en hij moest ook altijd een spaarpotje hebben voor als hij zonder werk kwam te zitten. Hij verdiende trouwens schandalig weinig en de arbeidsomstandigheden waren vaak slecht. Zo moest hij eens een paar weken werken in een hal waar bielzen van oude rails werden gehaald. Als het regende stond er altijd een flinke laag water in deze hal. Voor veiligheidsschoenen had hij zelf gezorgd. Als het aan de baas lag had hij er op z'n gymschoenen gewerkt. Omdat de reisafstand te groot was woonde hij toen wekenlang in een caravan zonder verwarming, waarvoor de baas bovendien nog huur in rekening bracht. Uiteindelijk kreeg hij voor deze klus ook pas na veel aandringen zijn loon uitgetaald. Dit is maar een van de vele voorbeelden van hoe hij uitgebuit is.

Uiteraard wilden we allebei graag dat hij een verblijfsvergunning zou krijgen, maar op grond van onze relatie kwam hij daarvoor niet in aanmerking. Inmiddels gold immers voor gezinsvorming de zgn. "120%-norm". Dit houdt in dat alleen mensen met een vaste baan en een inkomen van tenminste 120% van het minimumloon recht hebben op gezinsvorming met iemand uit het buitenland. Dit recht is mij als uitkeringsgerechtigde zijnde door de neus geboord. Ook verhuizen naar een ander land heb ik overwogen maar ook daarvoor zag ik geen mogelijkheden. Het gaf zoveel onzekerheid voor ons dat hij hier niet mocht zijn. We zaten altijd in angst dat hij opgepakt zou worden.

In het najaar van 2004 kreeg ik een oproep voor een gesprek met de Sociale dienst. Toen ik daar kwam bleek het een verhoor te zijn door de sociale recherche. Hun vraag was: "Woont u samen?" Ik heb dit toegegeven en heb hen uitgelegd waarom ik het niet gemeld had, en dat ik hier geen financiëel voordeel van had. Maar daar hadden ze geen begrip voor en geen boodschap aan. Ik had het moeten melden dat ik samenwoonde want zo zijn nou eenmaal de regels. Mijn uitkering werd onmiddelijk beëindigd, en bovendien moest ik een geheel jaar terugbetalen. 13.000 Euro! Ik kreeg een acceptgiro met het verzoek of ik dit bedrag maar even over wilde maken. Onnodig te zeggen dat ik dit geld bij lange na niet had. Ik ging in beroep tegen dit besluit maar verloor deze rechtszaak. Wel werden mij twee weken kwijtgescholden. Wel een heel schrale troost. Zo kwam ik bij de afdeling incasso van dezelfde Sociale dienst, die overigens wel hun best hebben gedaan om een realistische betalingsregeling voor te stellen. Ik moet drie jaar afbetalen en met een beetje geluk wordt het resterende bedrag mij dan kwijtgescholden. Als ik zelf iets vroeg voor Faruk bestond hij nooit, maar toen ze iets bij me konden halen bestond hij wel...

Faruk moest uiteraard gelijk onderduiken toen de sociale recherche er achter was gekomen dat er iemand zonder verblijfsvergunning op mijn adres verbleef. De vreemdelingenpolitie kwam toen nog niet aan de deur, maar het risiko was te groot geworden. Zo kwam er even plotsklaps een einde aan ons samenwonen als dat het begonnen was. Ik vond een baantje in een call-centrum als uitzendkracht, zat daarna een tijdje in de WW, werkte toen weer bij een ander callcentrum.

Eind 2005 kwam ik weer in de bijstand. Nu moest ik bewijzen dat ik niet meer samenwoonde met Faruk. Dat bleek een lastige zaak. Uiteindelijk namen ze genoegen met een adreswijziging die Faruk met zijn voornaam had ondertekend. Niet lang hierna kwam de vreemdelingenpolitie bij mij aan de deur en ook bij de vriendin die als postadres optrad voor Faruk. Gelukkig hadden we niet zijn echte adres opgegeven. De sociale dienst had dus Faruk's gegevens doorgegeven aan de vreemdelingenpolitie, hoewel mij eerder uitdrukkelijk was beloofd dat dit niet zou gebeuren. Dat was in de eerdere procedure ivm. de beëindiging en terugvordering van mijn uitkering gezegd door een ambtenaar namens burgemeester en wethouders. Toen was gezegd dat ik het samenwonen met Faruk best had kunnen melden omdat deze gegevens niet doorgegeven zouden worden. Ik had nog meer klachten over hoe ik als een crimineel behandeld ben door de sociale recherche, en ook over het Bureau Sociaal Raadslieden, wat mij verkeerde informatie had gegeven in deze zaak.

Omdat dit alles onder de verantwoordelijkheid is gebeurd van de wethouder van Sociale zaken van Nijmegen, mevrouw Lenie Scholten van Groen Links, heb ik een afspraak met haar gemaakt. Het Bureau Sociaal Raadslieden heeft veel druk op me uitgeoefend om mij van dit gesprek af proberen te houden, maar het was niet moeilijk om de afspraak te maken. Op het gesprek vond de wethouder het echter nodig om zich te laten bijstaan door haar advocaat, en bovendien zaten er twee mensen van het Bureau Sociaal Raadslieden waarover ik (onder andere) juist wilde klagen bij het gesprek, zonder dat dit me van te voren was meegedeeld. De wethouder hield zich enorm op de vlakte, hoewel ze wel liet merken dat ze met de gang van zaken rond de eerdere stopzetting en terugvordering van mijn uitkering, en met het doorgeven van Faruks gegevens aan de vreemdelingenpolitie, niet blij was. Exkuses maken of de zaak terugdraaien deed ze echter niet. Het enige wat ze toezegde was dat ze mijn klachten in een vergadering met de Sociale dienst aan de orde zou stellen, om te kijken of vergelijkbare situaties in de toekomst anders opgelost kunnen worden. Ik heb er niks meer over gehoord. Ook een linkse wethouder in een links College heeft mij niet mijn recht gegeven. Dit was ook een grote teleurstelling voor mij.

Begin 2006 kreeg ik een goede baan met uitzicht op een vast kontrakt. Eindelijk, na vele jaren van onzekerheid, kreeg ik echte hoop dat Faruk een verblijfsvergunning zou kunnen krijgen als ik de baan zou weten te houden. Helaas werd ik na een paar maanden ziek. Ik moest geopereerd worden, maar hierbij traden ernstige komplikaties op. Zodoende ben ik mijn baan en mijn laatste hoop om Faruk aan een verblijfsvergunning te helpen weer kwijtgeraakt.

Op 9 juni werd Faruk opgepakt. Hij reed op mijn snorfiets zonder licht. Al na enkele uren belde de politie met de vraag of de snorfiets inderdaad van mij was en of ik maar even Faruk's paspoort wilde brengen. Ik zei dat ik hem eerst wilde bezoeken. Dat kon geregeld worden zei de man van de vreemdelingenpolitie, maar toen ik de volgende dag op de cellengang aankwam werd ik niet toegelaten omdat ik niet samenwoonde. Toen ben ik heel boos geworden en omdat de vreemdelingenpolitie mijn medewerking nog nodig had om aan Faruk's paspoort te komen heb ik hem toch kunnen bezoeken. Hij zat achter een glazen muur en het geluid van de telefoons waardoor we moesten spreken was zeer slecht. Hij was zeer overstuur en zat een groot deel van de tijd te huilen. Zo had ik hem nooit gezien want normaal is hij wel stoer, maar nu was zijn hele wereld ingestort. Hij zei: "Wat moet ik nou in Kosovo? Ik ben hier volwassen geworden." Na veertien jaar in dit land gewoond te hebben waar hij vrienden had gemaakt en de taal had geleerd was het nu voor hem einde weg. Hij had toen al besloten om mee te werken aan zijn uitzetting omdat hij anders alleen maar eindeloos opgesloten zou worden. Daarom vroeg hij mij om zijn paspoort te overhandigen aan de vreemdelingenpolitie, wat ik gedaan heb. De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zou een vliegticket voor hem regelen en hem wat geld meegeven.

Ook al werkte hij mee, opgesloten werd hij toch. Na een paar dagen werd hij naar Kamp Zeist gebracht. Ik ben toen zo snel mogelijk op bezoek gegaan. Ik had een tas kleren bij me maar die mocht ik niet overhandigen. Alle invoer moet namelijk tot in detail op een formulier worden aangevraagd door de gevangenen. Bij de ingang moet je je legitimeren en al je spullen achterlaten. Je krijgt dan een bezoekerspenning waarmee je je moet melden bij een tweede kontrolepost ongeveer 100 meter verder. Daar wordt je dan toegelaten tot de bezoekersruimte. Daarnaast is een grote cel waar de gevangenen zitten te wachten tot hun bezoek arriveert. Komt hun bezoek niet dan moeten ze in die cel blijven. In de bezoekruimte moeten de gevangenen en de bezoekers elk aan hun eigen kant van de tafel blijven. Er zitten bewakers in de zaal die er nauwkeurig op toezien dat alle regels worden nagevolgd. Zij worden daarbij zelf weer met een videosysteem in de gaten gehouden door andere bewakers, dus enige soepelheid kunnen ze zich niet veroorloven. Alleen bij begroeting en afscheid is enig lichamelijk kontakt toegestaan. Geld geven is niet toegestaan. Geld moet gestort worden in een apparaat, maar hier zijn kosten aan verbonden. Via internetbankieren is het wel mogelijk om geld over te maken, maar daar ben ik ook alleen maar achter gekomen toen ik kwaad werd en mij er over beklaagde dat er kosten in rekening werden gebracht.

Ondanks het toezicht bij het bezoek moeten de gevangenen zich na ieder bezoek uitkleden en zich in hun anus laten kijken. Ook voor en na zijn proces heeft Faruk die behandeling moeten ondergaan. Zijn advocaat had namelijk geëisd dat hij in vrijheid zijn uitzetting zou mogen afwachten. Zijn advocaat had dit proces trouwens verprutst. Hij had mij en een vriendin als getuigen laten komen maar stond ons niet te woord van te voren en in plaats van ons het woord te geven vertelde hij uiteindelijk zelf, op een foutieve wijze, het verhaal wat wij hadden moeten en willen vertellen. Hij had zich duidelijk nauwelijks in de zaak verdiept en had niet eens kontakt opgenomen met het IOM. Deze "verdediging" was een regelrechte aanfluiting. Onnodig te zeggen dat Faruk dit proces verloor. Hij moest in Kamp Zeist blijven totdat hij zou worden uitgezet.

Het IOM had uiteindelijk bijna twee maanden nodig om deze "vrijwillige" uitzetting rond te krijgen. Eerst was Faruk enigszinds opgeleefd in Kamp Zeist, omdat hij alles beter vond dan alleen te zitten in het politiebureau. Want alleen zijn daar kan hij niet tegen. In Kamp Zeist had hij een celgenoot, al wat dat helaas een zwijgzaam persoon, en had hij enig kontakt met de andere gevangenen. Maar na anderhalve maand zag ik toch aan hem dat hij er aan onderdoor begon te gaan. Extreme dingen heeft hij niet meegemaakt, er van afgezien dat hij bedreigd is met de isoleercel omdat hij zich na zijn rechtszaak had beklaagd over de geheel zinloze anale controle's, maar de dagelijkse sleur en verveling van het zeer beperkte dagprogramma en de uitzichtloze sfeer heeft toch een zware tol van hem geëisd. Ik zelf had toen ook meer aan mijn hoofd dan goed voor me was. Ik belde me helemaal suf met het IOM, de politie, Kamp Zeist (om invoer van kleren ed. te regelen, wat extreem moeilijk is, bezoek af te spreken ed.), familie en vrienden etc. Verder moest ik zijn flat leeghalen en allerlei formulieren invullen.

Onze relatie is nu door het vreemdelingenbeleid onmogelijk gemaakt. Faruk kan hier nog drie maanden per jaar komen op een toeristenvisum (omdat de wet waardoor iemand automatisch ongewenst verklaard wordt bij uitzetting gelukkig nog niet ingegaan is) en misschien kan ik ook wel eens naar Kosovo reizen. Het overgrote deel van de tijd zullen we echter van elkaar gescheiden zijn door de afstand. En waarom??