De ware oorzaak van de Schipholbrand

Schrijven van mr. N. Steijnen

DE SCHIPHOLBRAND ZWEERT OPNIEUW NAAR BUITEN

De uitkomsten van de Onderzoeksraad van mr. Pieter van Vollenhoven voor wat betreft de oorzaken en het verloop van de Schipholbrand deugen niet en kunnen niet langer in stand blijven. Recent in het tv-progrmma NOVA getoonde nieuwe onderzoekstechnieken

van het bureau MSNP laten geen andere conclusie toe.

Het gaat hier niet om nieuwe feiten of nieuw onderzoeksmateriaal dat onafwendbaar noopt tot herwaardering, maar om een hernieuwde blik op reeds bestaand beeldmateriaal, vastgelegd door de bewakingscamera's in de nacht van de ramp.
Die videobeelden zijn indertijd ook al door de Onderzoeksraad onder de loep genomen, maar het schortte daarbij aan een - zo blijkt nu - houdbare interpretatie.

Wat voor het merendeel van de overlevende slachtoffers van de K-vleugel van het Detentiecentrum Schiphol-Oost - de vleugel waar de brand woedde - in elk geval altijd al helder was, alsmede door hen in verklaringen ook steeds weer werd onderstreept, wordt nu, bij een hernieuwd onderzoek van het bestaande beeldmateriaal uitdrukkelijk bevestigd: wat zich ook precies in de cel van de Libiër Ahmed Isa Al-Jabali, waar de brand volgens de Onderzoeksraad begonnen zou zijn, heeft afgespeeld, er woedde al een grote brand op de K-vleugel buiten diens cel, voordat in zijn cel het vuur tot ontwikkeling kwam. Het beeldmateriaal toont dit onomstotelijk aan.
De overlevenden van de K-vleugel reppen dan ook van een muur van voor die zij tegenover zich zagen, toen zij eindelijk uit hun cellen werden verlost.

Het zijn overigens niet alleen de overlevenden van de K-vleugel, en nu de onderzoekers van het onderzoeksbureau NSMP die erop gewezen hebben dat er in ieder geval ook buiten de cel van Al-Jabali een grote brandhaard geweest moet zijn, maar ook andere deskundigen kwamen al eerder, onafhankelijk van elkaar, op basis van datzelfde beeldmateriaal van de bewakingscamera's tot deze bevinding. Zoals ondermeer de brandweer-deskundige Vos, die ook in het strafproces tegen Al-Jabali door de rechtbank als deskundige werd gehoord. Maar vooralsnog werd ook naar hen in dat opzicht niet geluisterd.

De kernvraag die zich hier opdringt is deze. Hoe kon de Onderzoeksraad in zijn conclusies over de oorzaak en het verloop van de brand zo grondig mistasten? Was dit zomaar een misslag of was hier incompetentie in het spel? Of speelden andere factoren misschien een in dit opzicht beslissende rol en vormde het wellicht doelbewust de intentie van de Onderzoeksraad om hier nu juist niet de onderste steen boven te halen?

Het doet zich of het eerste gezicht voor als pure speculatie, maar er zijn nochtans aanwijzingen dat de Onderzoeksraad wellicht van opvatting was dat de dosering harde en schokkende conclusies die de Raad in petto had, in de vorm waarin zij uiteindelijk ook daadwerkelijk zijn gepresenteerd, bijna al meer was dan voor het gevestigde politieke krachtenveld nog verteerbaar was. En dat een nog verder reikend démasqué van het gruwelijk falen van de overheid hier, politiek en maatschappelijk gesproken, zich rechtstreeks tegen de Onderzoeksraad zelf zou keren en het instituut als zodanig in de waagschaal zou stellen.
Een wellicht maar al te terechte inschatting, want ook de conclusies waar de Onderzoeksraad uiteindelijk mee kwam sloegen al in als een bom in en gaven aanleiding tot duidelijk hoorbare politieke protestgeluiden, die zich keerden tegen de unieke positie die de Onderzoeksraad in ons bestel inneemt.

Met andere woorden: de Onderzoeksraad had zelf waarschijnlijk het gevoel dat hij, met wat hij uiteindelijk op tafel bracht, al schuurde langs de grenzen van wat er in de maatschappij aan receptief vermogen voorhanden was. In dat geval heeft zich binnen de Onderzoeksraad - wellicht zelfs ook onuitgesproken - een proces voltrokken van zelfregulering en zelfbeperking als het ging om het opdelven van de waarheid in zijn meest volledige en meest perverse omvang.

Vast staat in elk geval dat de Onderzoeksraad ten aanzien van de meest verbijsterende en voor het zittende politieke krachtenveld meest vernietigende feiten net deed of zijn neus bloedde. Of daaromtrent maar liever in het spoor bleef van wat zich toch al reeds als opvattingen over het verloop had uitgekristalliseerd.

Allereerst dan de vernietigende en in hun perversiteit in feite de verbeelding te boven gaande feiten waaromtrent de Onderzoeksraad ervoor koos om net te doen of zijn neus bloedde. Naar valt aan te nemen uit angst om, als boodschapper en vertolker daarvan, zelf als institutie geslachtofferd te worden.

Alleen een vooropgezette bekommernis daarvoor is immers in staat om te verklaren waarom in het rapport van de Onderzoeksraad geen spoor terug te vinden is van de, onafhankelijk van elkaar, afgelegde getuigenissen van de overlevenden van K-vleugel dat kostbare minuten verloren zijn gegaan bij het uitsluiten van de gevangen op de K-vleugel uit hun cellen. Dit omdat aanvankelijk door de bewaarders werd geweigerd hun cellen te openen. Wat dan weer voortvloeide uit het feit dat de instructies aan het personeel zodanig waren dat de cellen alleen massaal geopend mochten worden als eerst de marechaussee te plaatse zou zijn.
In feite is dan ook daadwerkelijk eerst daarop gewacht, alvorens het openen van de cellen ter hand werd genomen.

In het rapport van Van Vollenhoven is van enige hapering bij het openen van de cellen niets terug te vinden. Het uitsluiten van de gevangenen uit hun cellen wordt in het rapport daarentegen voorgesteld als een glad en efficiënt verlopen operatie, die terstond op gang kwam nadat de brand was gesignaleerd en gelokaliseerd.
Met de manier waarop de gang van zaken op dit stuk door de overlevenden zelf wordt aangegeven, heeft die weergave geen enkel raakvlak. Nochtans valt daarover in het rapport geen woord te lezen.

Ook van het onder schot houden en met vuurwapens bedreigen van uit hun cellen uitgesloten gevangenen, waarvan een aantal van hen verslag deed, is in het rapport van de Onderzoeksraad geen spoor terug te vinden. Net zo min als daarin ook maar met een word wordt gerept over de volstrekt onmenselijke behandeling waaraan de overlevenden verder in de rampnacht werden onderworpen, aanvankelijk opgesloten in een luchtkooi waar zij het vuur opnieuw op zich zagen afkomen, later op een andere lokatie, in de kou gelaten met en dekentje, zonder enige verzorging.

Die werkelijkheid werd blijkbaar door de Onderzoeksraad als voor het zittende politieke establishment te pervers en te belastend ervaren om officiëel in het rapport te boekstaven.
En die realiteit is dan, als achtergrond van de hier toegepaste bejegening, dat de slachtoffers van de Schipholbrand per saldo het slachtoffer zijn geworden van een klimaat van voortschrijdende dehumanisering van 'illegalen'. Hetgeen er toe leidde dat de betrokken 'illegalen', opgesloten in op zich al levensgevaarlijke detentieomstandigheden, ook in de rampnacht als uiterst gevaarlijke criminelen werden bejegend, een proces waaraan de overheid en het politieke establishment in hoge mate hadden bijgedragen en dat in de rampnacht op een fatale manier culmineerde in elf dodelijke slachtoffers. Alsmede in een onmenselijke behandeling van de overlevenden gedurende de rampnacht.

Wat betreft andere aspecten verkiest de Onderzoeksraad het om maar liever in het spoor te blijven van al gevestigde opvattingen.
Natuurlijk kan het ook de Onderzoeksraaad, bij de bestudering van de beelden van rookontwikkeling in de cellengang, niet zijn ontgaan dat er sprake was van een rookontwikkeling op twee plaatsen. Maar blijkbaar is in de boezem van de Onderzoeksraad besloten niet impliciet te gaan tornen aan de manier waarop door het OM al maanden voordat het rapport van de Raad uitkwam de schuldvraag was gedeponeerd. Die schuld was immers meteen al na de brand door het OM bij de Libiër Ahmed Isa Al-Jabali neergelegd. Die door onvoorzichtigheid met een sigarettenpeuk in zijn cel de grote veroorzaker van de catastrofe zou zijn geweest.

Temeer bestond daaraan blijkbaar voor de Onderzoekraad geen behoefte omdat de raad althans formeel niet over de schuldvraag ging. En de raad ook overigens, los van de kwestie wat nu de directe oorzaak van de fatale brand zou zijn geweest, al pijlen genoeg op zijn boog had om de betrokken overheden hun falen uiterst pijnlijk in te scherpen.
Hetgeen ook daadwerkelijk gebeurde, met alle politieke commotie vandien.

Overigens, juist ook vanwege het feit dat de Onderzoeksraad zich van elke schuldvraag verre diende te houden, was de raad ook om die reden gedwongen om hier op eieren lopen. En nu het OM de directe schuld aan de brand al maanden tevoren uitdrukkelijk aan de Libiër Al-Jabali had toebedeeld, bestond er in feite voor de Onderzoeksraad geen andere mogelijkheid om buiten de schuldkwestie te blijven dan door met een grote boog om de vraag naar de uiteindelijke directe oorzaak van de brand heen te lopen. En in elk geval niet de lezing van het OM te ondergraven.

Aldus was de Onderzoeksraad als het ware gepreconditioneerd om niet te opponeren tegen de lezing van het OM en diens verhaal dat de fatale brand zijn oorsprong had gevonden in de cel van Al-Jabali.

Ook hier geldt dat de massale opsluiting van tot 'illegalen' verklaarde mensen in levensbedreigende brandgevaarlijke cellen zich, uiteindelijk, alleen maar laat verklaren uit het proces van daaraan voorafgaande dehumanisering van deze categorie van mensen. Dat zich, maatschappijbreed, maar duidelijk ook aangestuurd vanuit het poltieke establishment, had voltrokken.

Om dat te verhullen vormde Al-Jabali de ideale zondenbok. Want als hij de directe schuld was van de fatale brand, was de overheid dat in elk geval niet. De angstige weigerachtigheid van de Onderzoeksraad om op deze manipulaties de vinger te leggen, uit vrees voor het eigen hachje, maakt, paradoxalerwijs, dat de raad zich nu in grote verlegenheid bevindt.

Mr. N.M.P. Steijnen,

advocaat