Aanklacht tegen Verdonk en Donner bij Europees Hof, update 22 okt 08

Comité Rechtsherstel
Couwenhoven 52-05
3703 ER ZEIST
sagitar (at) hetnet.nl

Betreft: Schipholbrand - vervolging van de verantwoordelijke ministers Donner en Verdonk - Europese Hof voor de Rechten van de Mens

22 oktober 2008

Beste .....,

Zoals u wellicht bekend zal zijn - medeverzoekers hebben daarvan al uitgebreid bericht gehad - ligt onze aanklacht tegen de toenmalige voor de Schipholbrand verantwoordelijke ministers thans bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Het Europese Hof heeft ons bericht dat deze klacht pas in behandeling kan worden genomen als er ook rechtstreekse slachtoffers deze klacht mede ondertekenen.

In de afgelopen periode hebben wij veel nader overleg gehad en met slachtoffers persoonlijk gesproken.
De uitkomst is dat voor hen, nu drie jaar na de brand, nog steeds onvoldoende veiligheid en bestaanszekerheid aanwezig is om een persoonlijke mede-ondertekening verantwoord te maken.
Precies als drie jaar geleden, toen wij begonnen met de eis dat de verantwoordelijke ministers in rechte rekenschap zouden moeten afleggen voor de wrede en onmenselijke behandeling waaraan de slachtoffers voor, tijdens en na de brand onderworpen zijn geweest, wordt er dus bewust van afgezien om hen persoonlijk de klacht te laten ondertekenen, vanwege mogelijke rancunemaatregelen tegen hun verblijfspositie, hun medische zorg, hun huisvestingsomstandigheden, etc. etc.

In de bijgaande brief aan het Europese Hof wordt hier nader op ingegaan en wordt aangegeven, waarom het Hof desondanks de zaak in behandeling moet nemen.

Ten slotte roepen wij iedereen op aanwezig te

zijn bij de derde herdenking van de Schipholbrand. Die vindt plaats bij het detentiecentrum op Schiphol-Oost, zondag 26 oktober van 14.00 uur tot 23.55 uur. Meer informatie hierover is te vinden op www.vertrokkengezichten.net

Namens het Comité Rechtsherstel,

Nico Steijnen
________________________________

De tekst in pdf is eveneens als attachment toegevoegd
________________________________

Advocatenkantoor Steijnen, Olof & Stelling
Couwenhoven 52-05
3703 ER Zeist
e-mail: sagitar (at) hetnet.nl

European Court of Human Rights
Mrs. Agnes van Steijn
Council of Europe
F-67075 Strasbourg Cedex
FRANCE

20 oktober 2008

re: Application no. 19221/08
Van Melle and Others v. the Netherlands

Geachte mevrouw Van Steijn,

Uw brief van 25 april 2008 in de bovengenoemde zaak, die ik in goede orde ontving, geeft mij aanleiding tot het volgende.

Allereerst uw nadere vraag of en hoe de verzoekers in de onderhavige zaak zich kwalificeren als slachtoffers in de zin van een wrede en/of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens.

Daaromtrent dient dan allereerst te worden vastgesteld dat de wrede en/of vernederende behandeling, waarvan in de onderhavige zaak sprake is, in zich sluit gebeurtenissen, handelingen en omissies terzake van de Schipholbrand, welke op 26 oktober 2005 plaatsvond.

Deze gebeurtenissen, handelingen en omissies, toe te rekenen aan de Staat der Nederlanden, meer speciaal aan de toenmalige Minister van Justitie mr. J.P.H. Donner en de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken mevrouw drs. M.C.F. Verdonk, te samen en, voor zover relevant, ook elk voor zich vormend een wrede en/of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor degenen die daarvan slachtoffer werden, hebben ertoe geleid dat de categorie van personen die daardoor werd getroffen zowel bestaat uit dodelijke slachtoffers alsook uit slachtoffers die de Schipholbrand hebben overleefd.

De hier bedoelde gebeurtenissen, handelingen en omissies, die als complex dan wel, voor zover relevant, elk voor zich dienen te worden aangemerkt als een wrede en/of vernederende behandeling jegens de personen die daardoor werden getroffen - en voor zover het de overlevenden betreft - ook nog steeds worden getroffen, betreffen dan gebeurtenissen, handelingen en omissies voor, tijdens en na de Schipholbrand.
In tijd gezien strekt de onderhavige wrede en/of vernederende behandeling van de slachtoffers zich derhalve uit over een langere periode.

Het onderhavige verzoek aan het Europese Hof betreft daarbij uitdrukkelijk zowel de overlevende alsook de dodelijke slachtoffers van de Schipholbrand.
De dodelijke slachtoffers zijn gestorven als resultaat van de hier bedoelde gebeurtenissen, handelingen en omissies, die dienen te worden aangemerkt als een wrede en/of vernederende behandeling, welke hen werd aangedaan voor en tijdens de ramp, terwijl de overlevende slachtoffers ook na de ramp het object bleven van een voortgezette wrede en/of vernederende behandeling in de zin van het verdrag.

De gebeurtenissen, handelingen en omissies die als complex dan wel, voor zover relevant, elk voor zich dienen te worden aan-gemerkt als een wrede en/of vernederende behandeling in de zin van het Europees Verdrag, zijn uitvoerig weergegeven in het inleidend verzoekschrift en in de daarbij gevoegde stukken.

Ik kom thans tot beantwoording van uw vraag of en in hoeverre verzoekers zich kwalificeren als slachtoffers in de zin van het verdrag.

Daarbij dient dan in de allereerste plaats onderscheid te worden gemaakt tussen de dodelijke slachtoffers van het onderhavige complex van gebeurtenissen, handelingen en omissies, dat als een wrede en/of vernederende behandeling dient te worden aangemerkt, en de overlevende slachtoffers hiervan.

De dodelijke slachtoffers van de onderhavige wrede en/of vernederende behandeling kunnen, uit de aard der zaak, zelf niet in rechte ageren terzake van de wrede en/of vernederende behandeling die zij, in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag, hebben ondergaan.
Zij dienen dan ook, wil het kunnen komen tot enigerlei vaststelling of terzake van de onderhavige gebeurtenissen, handelingen en omissies met betrekking tot de Schipholbrand al dan niet sprake zou zijn geweest van een wrede en/of vernederende behandeling in de zin van het Europees Verdrag, uit de aard der zaak, daarbij te worden gerepresenteerd door daarbij als belanghebbend aan te merken derden.

Als daarbij belanghebbend aan te merken derden kwalificeren zich dan primair familieleden van de betrokken dodelijke slachtoffers.

In de onderhavige procedure treedt in twee gevallen een familielid op van een dodelijk slachtoffer van de wrede en/of vernederende behandeling die alle slachtoffers vóór en tijdens de brand hebben ondergaan.

Het betreft hier allereerst verzoekster sub 2, Nevin Igli, die in casu optreedt namens haar schoonbroer, het dodelijke
slachtoffer Mehmet Ava.

En voorts betreft het hier dan verzoeker sub 3, Erol Sahin, die in casu optreedt namens zijn oom, het dodelijke slachtoffer Kemal Sahin.

Verzoekster sub 2, Nevi Igli, is derhalve de schoonzuster van een van de elf dodelijke slachtoffers, de bij de brand omgekomen Mehmet Ava, van Turkse afkomst.

Na de brand zette zij zich met name ook in voor een van de zwaar getraumatiseerde overlevenden Momand Nouri, die machteloos had moeten toezien hoe haar zwager Mehmet Ava door het vuur om het leven kwam. Bewaarders en marechaussees verhinderden hem, onder dreiging met wapengeweld, om medegevangenen, zoals Mehmet Ava, te hulp te komen en hun cellen te openen.

Voor verklaringen van Momand Nouri en andere overlevende slachtoffers van de K-vleugel omtrent hun ervaringen tijdens de brand, waarbij onschuldige mensen, die in acuut levensgevaar verkeerden, langer in hun cel opgesloten werden gelaten dan nodig was omdat zij anders 'dreigden te ontsnappen' en waarbij overlevenden door politie en marechaussee, zelfs onder dreiging van wapengeweld, werd verhinderd om pogingen te doen om de deuren van medegedetineerden die dreigden om te komen te openen, wordt onder meer verwezen naar de initiële aangifte bij het OM onder 12 t/m 17, die bij de stukken is gevoegd.

Over hoe het overlevende slachtoffer Momand Nouri door verzoekster sub 2, Nevin Igli, werd aangetroffen en welke mensonwaardige behandeling hij na de brand moest ondervinden, daarvan verhaalt Nevi Igli in haar verklaring naar aanleiding van het bezoek dat zij hem op 10 november 2005 bracht op de Detentieboot te Rotterdam, welke verklaring in terug te vinden in blz. 39 e.v. van het verzoekschrift aan het Europese Hof.

Zij schrijft daarin onder meer:

*** "Ik ben vandaag, 10 november 2005, op bezoek geweest in gezelschap van een tolk bij de uitgeprocedeerde Afghaanse vluchteling Momand Nouri. Hij heeft de brand in Schiphol-Oost overleefd, hij zat in de cel naast mijn zwager Meh-met Ava, die is omgekomen bij de Schipholbrand.

*** Momand Nouri is een van de mensen die Mehmet tijdens zijn laatste uren van dichtbij heeft meegemaakt. Vandaar mijn bezoek aan Momand Nouri."

en:

*** "Deze man is na de brand overgebracht naar de gevangenisboot in Rotterdam. Ik heb daar een man aangetroffen gewikkeld in een wit laken, want hij heeft geen kleren, hij is al zijn spullen kwijtgeraakt tijdens de brand."

en:

*** "Het is gewoon mensonterend, de situatie op die detentieboot. Hij vertelde ook dat hij niet meer kan eten en acht kilo was afgevallen en dat hij niet kan slapen. Hij heeft nachtmerries, de overleden mensen komen steeds in zijn slaap of droom bij hem; dan doet hij zijn ogen open en er is niemand."

Verklaringen van Momand Nouri zelf zijn verder terug te vinden in het verzoekschrift aan het Hof op blz. 37 e.v. en blz. 43 e.v.

Hij stelt daarin onder meer:

*** "Om ongeveer 12.00 uur hebben we op de deur gebonsd, na vijf minuten kwam er een bewaakster en als ze op dat moment de deuren had geopend was er niemand dood gegaan. Maar ze rende terug toen ze vuur en rook zag. Ze ging hulp halen en kwam met twee andere vrouwen terug. Maar ze gingen weer weg. Toen kwamen na vijftien minuten weer mensen. Maar in vijf minuten was het vuur overal. Het duurde vijftien minuten voordat mijn deur werd geopend. Ik was dichtbij het vuur. De mensen in de celnummers 9, 10 en 11 gingen dood. Ik was in cel nummer 8. God heeft mij geholpen. Hij wilde niet dat ik dood ging.

*** De Securicor kwam en zei eerst 'Rustig, rustig, er is niks aan de hand'. Toen hebben we rook gezien die uit de ventilator kwam. Ik was vreselijk bang. Toen ik naar buiten kwam zag ik alleen rook.

*** Toen mijn deur openging zag ik een zee van rook. Ik heb gevraagd om een sleutel om andere deuren open te maken, die gaven ze niet. Ik keek door een luikje naar binnen en zag twee mensen die rondrenden, brandend in hun cel. Ik was in een shock. Ik heb dit met mijn eigen schuldige ogen gezien! Omdat ik niks kon doen en ik alleen kon kijken, zijn mijn ogen schuldig.

*** Bij de gang was politie met geweren. We wilden onze vrienden helpen, maar ze hadden hun pistolen getrokken om dat te verhinderen. We zagen dat onze vrienden doodgingen en een Afrikaan zei: 'Schiet me maar dood!'.
*** Drie, vier politiemensen waren het, hun pistolen precies gericht op ons.

*** Er werd hulp geroepen en ik zag een vrouwelijke bewaarder die niets deed. Ik heb huilend aan die vrouw gevraagd: 'Geef die sleutel aan mij om die Koerdische man te redden'. Ze schreeuwde tegen mij en gaf hem niet. Toen ben ik naar afdeling J gerend."

Deze verklaring over doelbewust achterwege laten van aktie om de cellen te openen, wordt, onafhankelijk daarvan, door andere overlevenden van de K-vleugel gesteund. Onder meer door de verklaring van de Marokkaan Fatoda, opgenomen op blz. 35 e.v. van het verzoekschrift aan het Hof:

*** "Die nacht was het omstreeks 12 uur dat ik en mijn celmaat vuur roken. We keken onder de deur door: dit is brand. Wij schreeuwden: 'Open, open, open !'. Een vrouwelijke bewaakster opende het celluikje en zei: 'Ik moet iemand bellen'. Het vuur greep om zich heen voordat ze terug was. Mijn celgenoot schreeuwde haar toe: 'Doe de deuren open!' Ze opende het celluikje, maar zei dat iedereen weg zou rennen als ze de deuren zou openen. Het duurde bijna 20 minuten voordat onze deur open ging. Toen ze uiteindelijk de deur open deden, probeerde mijn celgenoot zich uit de voeten te maken, maar er waren tafels en je kon niets zien van de rook.

*** Nadat we eruit waren gelaten, hoorden we overal roepen 'Open, open, help, please'. We wilden helpen inside the section to open the doors, but they refused. Ze waren bang om ons in veilig gebied te brengen. Ze brachten ons naar een luchtplaats en we mochten niet naar veilig gebied. Ze hadden guns, de politiemannen, maar we konden toch geen kant op. Ook deden ze ons handboeien om."

Ook de onafhankelijk daarvan afgelegde verklaring van Sahid Soefizadeh (Afghanistan) bevestigt dit alles:

*** "Ik was in cel nummer 6 in K met een Russische man. Ik denk dat het vuur kwam van nummer 12 of uit die richting. Ik heb op de alarmbel gedrukt maar geen reactie gehoord of gezien. Mensen bonsden op de deuren en riepen: 'Doe de deur open'. Ik probeerde onder de deur door naar buiten te kijken, er was 1 centimeter en ik zag alleen overal rook.

*** Ik zag een bewaakster die bang was om de deuren te openen, zij is weggerend.

*** In plaats van ons naar een veilige plek te brengen, zetten ze een pistool tegen ons hoofd en zeiden: 'We zullen schieten'. Ik zei: 'We zijn niks, we zijn vluchtelingen, waarom zetten jullie een pistool tegen onze kop, we maken toch geen ruzie en we hebben niets gestolen, waarom doen jullie zo?'."

Omdat Momand Nouri zo zwaar getraumatiseerd is door het feit dat hij niemand uit de vuurzee heeft kunnen redden, ook de zwager van Nevi Igli, Mehmet Avar niet, en omdat hij de laatste is geweest die haar zwager levend heeft gezien, trok Nevin Igli zich zijn lot in het bijzonder aan.

Zij schreef in een publieke verklaring enige weken na de brand, refererend aan Momand Nouri, die op dat moment was ingesloten op een van de detentieboten te Rotterdam, in dit verband onder meer het volgende:

*** "Omdat Nouri met zijn verhaal naar buiten is gekomen krijgt hij met een aantal nog strengere regels te maken. Is dit nou volgens de minister, de maximale zorg die deze mensen krijgen? Ik heb voor Nouri mijn contactpersoon van de IND gebeld en hem gesmeekt help deze jongen, want hij is kapot en moet dringend geholpen worden.

*** (...)

*** Ik heb gedaan wat in mijn vermogen lag om deze jongen te helpen en ik zal zijn zaak blijven volgen. Mehmet hebben we niet kunnen redden van de dood, maar voor Nouri kunnen wij misschien alsnog iets betekenen.

*** En dit is niet meer dan onze plicht als mens en ook de plicht van de samenleving om te proberen goed te maken alles wat dit systeem verkeerd doet bij deze mensen.

*** Elf families zijn hun kind, moeder, zoon, dochter, broer, zus, oom, echtgenoot, vader, neef kwijtgeraakt. Zij zijn opgeofferd aan het naleven van deze inhumane vreemdelingen- en asielbeleid.
Hoe moeten al deze families voor de rest van hun leven hiermee leven. Is er iemand die daarbij stilstaat en daar rekening mee houdt?

*** Mehmet wilde alleen maar een menswaardig leven, net als ieder ander asielzoeker.
Hij raakte in de problemen met zijn familie en met zijn zogenaamde vrienden, omdat hij voortdurend geld nodig had voor zijn dagelijks levensonderhoud en een dak boven zijn hoofd.

*** Dit enorme last heeft zijn familie en zijn vriendin jarenlang moeten verdragen omwille van zijn veiligheid.

*** Hij en zijn vriendin hadden geen sociale contacten, dat konden zij immers ook niet onderhouden, want zijn hele persoonlijkheid en zijn waardigheid was voortdurend onder druk. Bij hem was en hing voortdurend de angst en dreiging van aanhouding boven zijn hoofd.

*** Hij durfde bijna niemand in vertrouwen te nemen, bang dat ze hem zullen verraden en voortdurend op zijn hoede zijn, en altijd zich thuis opsluiten zodat hij niet de kans liep op aangehouden te worden.

*** Hij stond onder enorme druk wat ook heel veel spanning en stress met zich meebracht en dit was 24 uur voelbaar, het was geen leven meer en dit had ook zijn weerslag op de mensen die in zijn buurt waren.

*** Als hij ziek was kon hij zelf niet naar de dokter of naar een tandarts, dan ging ik of zijn vriendin mee, dan vertelden wij dat hij tijdelijk op bezoek was en dat wij de rekening zelf gingen betalen, zodoende kon hij toch nog enigzins beperkt hulp krijgen.

*** Het zat hem ook heel erg dwars dat hij afhankelijk was van zijn vriendin en anderen en altijd zijn hand openhouden aan de familie, maar hij had immers op dat moment geen andere keus.
*** En zo heeft hij jarenlang illegaal geleefd puur omdat Nederland hem geen asiel of verblijfsvergunning wilde geven, en hij zei altijd uit trots dat hij niet wilde trouwen voor papieren.

*** In mei van dit jaar is zijn zuster aan kanker overleden, Mehmet kon niet naar haar begrafenis omdat hij geen papieren en geen geld had. Zo kan ik nog wel honderden voorbeelden noemen hoe deze mensen onder zulke omstandigheden moeten leven.

*** Misschien was Mehmet een uitzondering. Omdat zijn familie hem opving en steunde, heeft hij toch nog enigzins iets gemakkelijk gehad dan zijn lotgenoten en dit is nog de schrale troost wat ons rest.
Het is bijna niet in woorden uit te drukken wat er allemaal door ons heengaat, wat een verbittering, wat een triest gevoel.

*** Wie gaat mijn man opvangen, want hij is zelf (ernstig ziek), hij heeft immers zijn broer verloren en mijn kinderen zijn kapot door het verlies van hun oom.

*** Ikzelf zit met spijt en wroeging dat ik hem de afgelopen half jaar niet meer kon opbrengen om hem op te vangen. Met dit geweten moet ik voor de rest van mijn leven er mee leven.

*** Mehmet het spijt mij en vergeef mij dat ik je niet meer kon helpen, ik hoop dat je daar een beter leven zult hebben.
Elf doden en elf families kapot van verdriet, wie of wat kan dit nog goed maken.

*** Mijn schoonvader is bijna tachtig jaar, ligt sinds een jaar aan de zuurstof. Hij maakt zich zorgen omdat Mehmet hem niet meer belt. Want hij weet nog steeds niet dat Mehmet dood is en niemand heeft hem dat kunnen vertellen. Hij ligt zelf op sterven en met de onwetendheid van de dood van zijn zoon, zal hij sterven.

*** Het leven van zijn vriendin waarmee hij vijf jaar heeft samengewoond is ook kapot, hoe moet zij dit ooit te boven komen. Haar geestelijke gezondheid was al niet goed en nu het verlies van haar man, vriend, hoe moet zij ooit weer verder met haar leven?

*** Heeft deze regering hier een oplossing voor, hebben zij wel een draaiboek hoe je al deze levens weer op de rail moet krijgen. Of had men alleen een draaiboek voor het onmogelijk maken van het bestaan van vreemdelingen?

*** Mijn wroeging gaat uit naar alle verantwoordelijke bewindvoerders en de minister-president van Nederland en ook naar ons Koningshuis. De families hadden bij de herdenkingsdienst liever de koningin gezien dan de onsympathieke ministers.

*** Ik had bij deze vreselijke verlies van deze mensen meer saamhorigheid van de samenleving verwacht dan dat er is getoond, en dit maakt ons verdriet nog onverdraaglijker.

*** Voortaan zal ieder suikerfeest voor ons rouw zijn, want paar weken terug was suikerfeest en die dagen hebben wij met verdriet en ellende doorgebracht in afwachting van het vrijgeven van Mehmet zijn lichaam.

*** Ieder die zijn of haar deel hieraan heeft bijgedragen aan dit inhumane asiel- en vreemdelingenbeleid wens ik een fijn feestdagen en een gewetensvol geweten voor zover dat nog kan, met de wetenschap, elf doden op uw ieders geweten."

De volledige tekst van de onderhavige verklaring van verzoekster sub 2, Nevin Igli, schoonzuster van het dodelijke slachtoffer van de brand, Mehmet Ava, bevindt zich onder de aan het Hof reeds overgelegde stukken.

Dan is er nog een tweede dodelijk slachtoffer, dat in de onderhavige procedure voor het Europese Hof wordt gerepresenteerd door een familielid.

Verzoeker sub 3 van het onderhavige verzoekschrift bij het Europese Hof, Erol Sahin, is een neef van Kemal Sahin, eveneens een van de elf mensen die bij de brand in het cellencomplex op Schiphol-Oost om het leven zijn gekomen.

Kemal Sahin, van Turks-Koerdische afkomst, had ernstige psychische problemen en was een verwarde man.
Naar eigen zeggen, bevestigd door zijn familie, was hij in Turkije gemarteld en was hij daarom naar Nederland uitgeweken.
Hij verbleef sinds maart 2005 in het Aanloopcentrum Stem van de Stad te Rotterdam. Op de vrijdag voorafgaand aan de ramp werd Kemal Sahin bij het stempelen bij de Vreemdelingendienst op Schiphol opgepakt en in detentie opgesloten in het cellencomplex op Schiphol-Oost.

Coördinator kerk en asielzoekers Tineke Litjens van het Aanloopcentrum was juist van plan hem, in het detentie-centrum Schiphol-Oost, zijn medicijnen te komen brengen die hij, gelet op zijn psychische toestand, zo dringend nodig had, toen de brand waarbij hij het leven liet plaatsvond.

De medewerkers van het Aanloopcentrum hadden Sahin gewaarschuwd dat hij wel eens opgepakt zou kunnen worden als hij bij de vreemdelingendienst op Schiphol ging stempelen. Asielzoekers in procedure moeten zich één keer per maand bij de vreemdelingendienst melden, omdat anders de asielprocedure afgebroken wordt. Dat wilde Sahin voorkomen.

Maar zonder dat Sahin het wist, had de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) al besloten hem uit te wijzen naar Hongarije, waar hij verbleef voordat hij in Nederland asiel aanvroeg.
Dus toen hij zijn 'stempel' kwam halen, werd hij in het Detentiecentrum op Schiphol vastgezet.

Tot zover nadere gegevens omtrent de verzoekers sub 2 en 3, optredend in de onderhavige procedure namens hun familieleden, die het dodelijk slachtoffer werden van de onderhavige wrede en/of vernederende behandeling vóór en tijdens de Schipholbrand.

Zoals ook al in de initiële aangifte bij het OM, alsmede in het verzoekschrift aan het Europese Hof breedvoerig wordt uiteengezet, bestond de onderhavige wrede en/of vernederende behandeling vóór de brand met name ook uit het willens en wetens opsluiten van alle betrokken slachtoffers in cellen, waarvan bekend was dat deze extreem brandgevaarlijk waren, met inzet van onvoldoende personeel, van onvoldoende gekwalificeerd personeel en het achterwege laten van adequate maatregelen terzake van brand en brandpreventie.

De onderhavige wrede en/of vernederende behandeling tijdens de brand, bestond dan eerst en voor al uit de ook weer in de hierboven weergegeven citaten sprekende grondhouding jegens alle (aldaar op dat moment gedetineerde) migranten, inhoudende dat het voorkomen dat ze zouden ontsnappen op het moment van de brand belangrijker was dan dat hun leven gered zou worden.

Hiermee is sprake van een culminatie van een proces van criminalisering en ontmenselijking van vreemdelingen, leidend tot waarlijk diabolische gevolgen.

Omtrent wat zich in de gruwelnacht van de brand verder concreet afspeelde aan wreedheden en vernederingen, zoals de weigering om onmiddellijk toen de brand ontdekt werd alle cellen te openen, het als vee bijeendrijven van de overlevende slachtoffers in een luchtkooi waar zij wederom het risico liepen om het slachtoffer te worden van het vuur, het bedreigen van de slachtoffers met vuurwapens, de hoge prioriteit die kennelijk werd gegeven aan speurtochten naar enkele ontsnapte slachtoffers met behulp van helicopters, zwaailichten en speurhonden, het zonder voedsel en kleding uren in kou en ellende laten staan van de overlevenden, en de verdere afschuwelijke lange lijst van wrede en vernederende behandelingen, waaraan zij werden onderworpen, wordt wederom verwezen naar de initiële aangifte bij het OM en naar het verzoekschrift.

Bij al deze verschrikkingen voegde zich dan, na de nacht van de brand, de lange lijdensweg die de overlevenden, waarvan velen zwaar getraumatiseerd, hadden te gaan - in veel opzichten tot de dag van vandaag toe - nà de brand.

Ook daarop wordt in de aan het Europese Hof overgelegde stukken breedvoerig ingegaan.
In feite bleek de wrede en/of vernederende behandeling, waaraan de slachtoffers vóór en tijdens de brand onderworpen waren geweest, onder directe verantwoordelijkheid en regie van de (toenmalige) ministers Donner en Verdonk, zonder meer te worden voortgezet.

De overlevende slachtoffers werden tot speelbal gemaakt van een reeks van pogingen om hen, ernstig getraumatiseerd en wel, zo snel mogelijk het land uit te werken, van welke grootschalige volvoering de ministers Donner en Verdonk alleen nog enigzins werden weerhouden door druk vanuit de publieke opinie, de Tweede Kamer en vanuit de Onderzoeksraad van mr. P. van Vollenhoven.

Inmiddels werden zij, zwaar getraumatiseerd en wel, de nacht van de ramp opnieuw in detentie gezet en daartoe overgeplaatst naar cellencomplexen die wederom, op hun beurt, als extreem brandgevaarlijk dienden te worden aangemerkt.

Van adequate opvang en hulpverlening werden zij verstoken gehouden. Psychische hulpverlening van betekenis werd de overlevende slachtoffers onthouden.

Dit alles wordt in de aan het Europese Hof overgelegde stukken breedvoerig belicht.

Met andere woorden: de sfeer van ontrechting, wrede en vernederende behandeling en onmenselijkheid, waaraan de betrokkenen ook al vóór en tijdens de brand onderworpen waren geweest, werd jegens de overlevende slachtoffers ook nà de brand gewoon doorgetrokken.

De personen en organisaties die na de brand met de overlevende slachtoffers direct contact onderhielden, hebben zich daarop met elkaar verstaan en zich uitdrukkelijk beraden over de vraag in hoeverre het onder die omstandigheden verantwoord zou zijn dat ook de overlevende slachtoffers zelf aktie zouden ondernemen bij het Openbaar Ministerie tegen de toenmalige ministers Donner en Verdonk wegens het hen onderwerpen aan een wrede en/of vernederende behandeling in de zin van de internationale mensenrechtenverdragen, waaronder met name ook het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Gelet op de uiterst kwetsbare en afhankelijke positie, waarin de overlevende slachtoffers zich toen bevonden, gelet op de volstrekt onmenselijke behandeling die zij ook na de ramp uit handen van de verantwoordelijke autoriteiten ondervonden, gelet op de onmiddellijke noodzaak tot een adekwate opvang en medisch-psychiatrische hulpverlening, waarbij zij van die zelfde autoriteiten afhankelijk waren, alsmede tenslotte gelet op de dwingende noodzaak dat zij zich van elke aktie zouden onthouden die hun positie in gevaar zou brengen en rancune-maatregeen jegens hen persoonlijk zou kunnen uitlokken, is toen besloten om alle overlevenden ernstig te ontraden persoonlijk deel te nemen aan een klacht-aktie wegens het opleggen van een wrede, vernederende en/of onmenselijke behandeling van de slachtoffers

Dit betekende dat een klacht wegens het onderwerpen van de overlevende slachtoffers van de brand aan een wrede en/of vernederende behandeling vóór, tijdens en na de brand uitsluitend zou kunnen worden ingediend door anderen dan de overlevende slachtoffers zelf, dat wil zeggen uitsluitend door bij de overlevende slachtoffers betrokken personen en/of organisaties.

Verzoeker sub 4, de Nederlandse mensenrechten-organisatie Liga voor de Rechten van de Mens, die, gelet op zijn statutaire doelstelling, het bevorderen van de mensenrechten en het optreden tegen schendingen daarvan tot zijn werkgebied maakt, treedt daarbij op als de eerste en meest uitgesproken belangenbehartiger van de overlevende slachtoffers.

Maar ook de overige verzoekers beschouwen zichzelf, stuk voor stuk, als belangenbehartigers terzake van degenen die zichzelf zo ontrecht en afhankelijk weten en zozeer moeten vrezen voor rancune-maatregelen, dat zij zelf geen klachten wegens het opleggen van een wrede, onmenselijke behandeling kunnen indienen, zonder zichzelf in gevaar te brengen.

Heel speciaal heeft dit ook nog te gelden voor Christiana Alberdina Kondehson, verzoekster sub 6.

Verzoekster sub 6 is de schoonmoeder van het overlevende
slachtoffer van de Schipholbrand, de afrikaan Oye Adepeju.
Zij heeft zich bijzonder voor haar schoonzoon ingezet en onderhield daarvoor zelfs lange tijd een website www.voicesinthe wilderness.nl.

De ontwikkelingen na de fatale brand, die Oye Adepeju kwam te ondergaan, zijn in een aantal opzichten tekenend voor de onmenselijke en vernederende behandeling die de overlevende slachtoffers van de ramp na de brand, uit handen van de ministers Donner en Verdonk, moesten ondervinden.

Zo kwam Oye Adepeju, evenals een aantal andere overlevenden, direct na de gruwelnacht van de brand, na de ontruiming van detentiecentrum Schiphol, na overplaatsing onmiddellijk in een isolatiecel terecht.
In dit geval in Kamp Zeist.

Zoals in het verzoekschrift aan het Europese Hof op blz. 31 e.v. al aangegeven, verscheen op 11 november 2005 daarover, onder de kop "ChristenUnie: overlevende zat wel in isoleercel", in het Reformatorisch Dagblad een artikel, waarin onder meer kenbaar werd gemaakt:

### "Een van de overlevenden van de fatale brand in het cellencomplex op Schiphol is na zijn overplaatsing naar een detentiecentrum in Zeist wel degelijk in een isoleercel terechtgekomen. De Nigeriaan Oye Adepeju heeft er vijf dagen om onduidelijke redenen opgesloten gezeten.

### Dat zei een 'geschokt' Tweede Kamerlid Huizinga-Heringa (ChristenUnie) vrijdag nadat ze in Zeist een bezoek aan hem had gebracht. Ze gaat de ministers Donner (Justitie) en Verdonk (Vreemdelingenzaken) opheldering vragen over de manier waarop Adepeju is opgevangen na het drama. Tijdens het spoeddebat over de kwestie benadrukte Donner donderdagavond opnieuw dat er 'voor zover ik weet' geen isoleercel is gebruikt.

### Volgens Huizinga bestaan er drie verschillende verhalen waarom de Nigeriaan in de isoleercel is gezet, waar alleen een matrasje op de grond lag met een niet al te fris kussen. Tegen de familie is gezegd dat dat is gebeurd wegens cellentekort. De advocaat kreeg te horen dat zijn cliënt er zat ter observatie. Volgens Adepeju zelf heeft een verpleegkundige gezegd dat hij in een isoleercel zat, omdat hij een grote mond had gegeven, aldus Huizinga.

### Ook andere beweringen van de Nigeriaan en zijn familieleden stroken volgens Huizinga niet met wat de ministers hebben beweerd. Zo stelde Donner donderdagavond dat alle betrokkenen een intake hebben gehad en daarbij medisch zijn beoordeeld. Bij de opvang in Zeist konden ze bovendien de eerste twee dagen na de brand onbeperkt bellen.

### Maar volgens Huizinga heeft Adepeju geen intakegesprek en nazorg gehad. Ook heeft hij niet kunnen bellen, omdat hij in de isoleercel zat. Van geestelijke verzorgers heeft hij ook niets gemerkt. 'Ik ben er kapot van', zei de politica nadat ze de Nigeriaan samen met familieleden van hem had bezocht. 'Het komt niet overeen met wat Donner en Verdonk hebben verklaard. Waarom is iemand na zo'n traumatische gebeurtenis in een isoleercel geplaatst'?

### De familie van Adepeju, die een kindje van drie maanden heeft, mag een keer per week op bezoek komen."

Bij vonnis van rechtbank Den Haag (zp. Amsterdam) van 8 november 2005, reg.nr. AWB 05/47715, werd dan ook met betrekking tot deze overlevende op dit punt overwogen:

### "Eiser heeft verklaard dat toezeggingen van de Ministers, welke zijn neergelegd in de brief van 1 november 2005, in de praktijk niet zijn nagekomen. Eiser heeft bij binnenkomst in het DTC Zeist geen gesprek gehad, noch is aan hem een telefoonkaart uitgereikt. Eiser heeft voorts aangegeven klachten te ondervinden met zijn ademhaling, mogelijk als gevolg van opgelopen rookschade. Eiser heeft echter slechts eenmaal, kort, een arts gesproken."

Zoals in het uiteindelijke oordeel terzake wordt overwogen, gold daarbij:

### "Dit is door verweerder niet weersproken."

Met andere woorden: de verantwoordelijke ministers hebben dit niet kunnen ontkennen.

Het vonnis vervolgt dan:

### "Gelet hierop is aan eiser in het detentiecentrum waar hij zich thans bevindt een week na de brand nog immer niet de toegezegde zorg verschaft."

Ook nadien veranderde er in dat opzicht weinig.
Oye Adepeju zag pas voor het eerst een medische verzorger, in de vorm van een psychiater, op 14 november, dat wil zeggen 18 dagen na de ramp. Dit was op de dag dat voor de rechtbank zijn eis tot vrijlating aan de orde was.

Het feit dat hij juist die morgen van de zittingsdag een medicus zag, diende derhalve als een kennelijke poging van de zijde van de ministers Donner en Verdonk om ter zitting te kunnen weerspreken dat Adepeju al die tijd iedere medische zorg totaal had moeten ontberen.

Adepeju werd vervolgens echter diezelfde dag door de Kamp Zeist-autoriteiten opnieuw gemaltraiteerd, toen bleek dat men hem, alvorens naar de rechtbank te worden overgebracht, opnieuw in de strafcel wilde zetten. Toen hij zich daar in paniek tegen verzette, werd hem, bij wijze van straf, door de directeur van Kamp Zeist overbrenging naar de rechtbank geweigerd, zodat de behandeling van zijn zaak vervolgens in absentia plaatsvond.
Aldus werd door verzoekster sub 6, mevrouw Kondehson, via haar website in de publiciteit gebracht.

Volgens nadere uitleg van de directeur van Kamp Zeist zou plaatsing in de strafcel in afwachting van transport een rou-tine-behandeling vormen.

Wat Adepeju in de gruwelnacht allemaal had moeten ondergaan, wordt elders in het vonnis van 8 november 2005 tot uitdrukking gebracht:

### "Eiser heeft tijdens de brand in grote angst verkeerd, aangezien hij gedurende de brand opgesloten heeft gezeten in een 1-persoonscel. Tijdens de brand ontstond er grote paniek en heeft eiser in zijn cel veel geschreeuw en gegil waargenomen. Tevens was binnen zijn cel waarneembaar een geur van brandend vlees en werd het warm in zijn cel. De doodsangst waarin eiser heeft verkeerd maakt dat hij zich ook niet veilig voelt in het DTC Zeist, waar eiser thans verblijft. Het is de vraag of hier aan de veiligheidsvoorschriften wordt voldaan."

Vervolgens beveelt de rechtbank overplaatsing naar een ander detentiekamp.

### "..niet zijnde de Detentieboot Reno te Rotterdam".

Op maandag 14 november 2005 brak in Kamp Zeist inderdaad brand uit. Deze kon, evenals de brand op de detentieboot 'Reno' eerder, snel worden geblust.

In deze rechtszaak werd dan, als laatste, door de rechtbank ook nog overwogen:

### "Tenslotte verzoekt eiser om teruggave van zijn bagage en geld."

Ondanks de toezegging van de verantwoordelijke ministers Donner en Verdonk dat dit laatste in orde zou worden gemaakt, bleef ook dit uit.

Nog op 22 november 2005 moest verzoekster sub 6, mevrouw Kondehson, namens Oye Adepeju kenbaar maken dat deze, bij diens voortgezette detentie in Kamp Zeist, nog altijd zijn eigendommen niet terug had gekregen, onder anderen zijn trouwbijbel, trouwpak, trouwfoto-reportage en een tas met kleren.
Ook zijn geld bleef verdwenen.

Reeds bij initiële aangifte bij het OM werd een en ander onder 50.6, 38.6 en 50.15 als zodanig al aan de orde gesteld.

Ik kom thans tot een afronding.

De thans (ook) bij de overlevende slachtoffers van de brand betrokken personen en organisaties hebben in de afgelopen periode zich zorgvuldig beraden over de mogelijkheid dat een aantal overlevende slachtoffers alsnog ook expliciet persoonlijk, met naam en toenaam, het bij het Europese Hof ingediende verzoek zouden ondersteunen.

Met overlevenden is in dit kader ook direct persoonlijk overleg gevoerd.
Dit heeft ertoe geleid dat duidelijk is geworden dat, ondanks de veelal bij de overlevende slachtoffers levende gevoelens van diepe frustratie, woede en afschuw over de manier waarop zij zich tot op de dag van vandaag bejegend weten, geen enkele van hen het aandurft om alsnog over te gaan om zich ook expliciet persoonlijk, met naam en toenaam aan de onderhavige application bij het Europese Hof te verbinden.

Deze gesteldheid hebben wij, onafhankelijk van elkaar, aangetroffen bij alle betrokken overlevenden, waarmee, separaat, persoonlijk overleg terzake is gevoerd.
Allen waren, stuk voor stuk en ieder voor zich, van oordeel dat hun positie dermate zwak is, dat zij, elk voor zich, van oordeel waren dat zij zich, nu drie jaar na de ramp nog steeds niet, konden permitteren om enigerlei aktie te ondernemen die de autoriteiten die over hun lot gaan, zou kunnen brengen to een, oncontroleerbaar, negatief optreden tegen hen persoonlijk.

Zij allen brachten, ieder voor zich, de vrees tot uitdrukking
dat als zij enigerlei aan de autoriteiten die over hun lot beslissen wellicht onwelgevallige aktie zouden ondernemen,

### - dit aangegrepen zou worden, zonder dit overigens als officiële reden daarvoor zou worden aangegeven - om hun verblijfsvergunning, die thans afhankelijk is van een verlenging van jaar tot jaar, niet langer te verlengen;

### - dit aangegrepen zou worden, zonder dat dit als werkelijke reden zou worden opgegeven, om de veelal toch al zo gebrekkige medisch-psychologische faciliteit die hen is toegekend, in te trekken of nog verder te beperken;

### - dit aangegrepen zou worden om mogelijkheden op adequate huisvesting te blokkeren,

### - etc.

In het licht van hun ervaringen van de afgelopen drie jaar zijn dergelijke angsten voor repercussies en rancune-maatregelen alleen maar als reëel aan te merken.

Een aantal personen die nauwe contacten met de betrokken overlevenden onderhouden, hebben dan ook een verklaring ondertekend aan het Europese Hof, waarin zij uit eigen wetenschap verklaren dat de overlevende slachtoffers zich het tot op de dag van vandaag niet kunnen permitteren om rechtstreeks, als persoon, zich te verbinden met de onderhavige application aan het Europese Hof.

In deze verklaring wordt ondermeer gesteld:

### "Drie jaar na de ramp moeten de overlevende slachtoffers het nog steeds zonder adequate hulp stellen.

### Zij vechten tegen hun zware psychische trauma's, voor hun genezing en voor hun toekomst. Zij leven verspreid over Nederland en proberen zich staande te houden in een jungle van armoede, papierwerk en onbegrip. Enkelen leven op straat met gevaar voor uitzetting of instorting. Sommigen zijn zoek en verdwaald.

### Onder deze erbarmelijke omstandigheden van een compleet marginaal bestaan in de uithoeken van de samenleving durft geen van de overlevende slachtoffers het aan om de klacht die vanwege het onderwerpen van de slachtoffers van de brand aan een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 3 Europess Verdrag is ingediend tegen de (voormalige) verantwoordelijke ministers Donner en Verdonk persoonlijk en rechtstreeks te ondertekenen.

### Met name na de brand hebben zij allen bittere ervaringen opgedaan met de Nederlandse autoriteiten onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de betrokken ministers, zoals uitvoerig beschreven in de klacht die is ingediend bij het Europese Hof.

### Beroofd van iedere veiligheid en zekerheid levend in de marges van de Nederlandse samenleving voelen zij zich, tot op de dag van vandaag, dermate geïntimideerd dat zij, ook uit vrees voor rancune-maatregelen tegen hun meestal slechts tijdelijke verblijfsvergunning en tegen hun, voor zover aanwezig, povere medische faciliteiten, niet de moed hebben om enige aktie te ondernemen die de Nederlandse autoriteiten onwelgevallig zou kunnen zijn."

Deze verklaring wordt dan besloten als volgt:

### "Er zit dan ook niets anders op dan de Liga voor de Rechten van de Mens, die als mede-initiatiefnemer van de onderhavige klacht bij het Europese Hof optreedt, aan te merken als behartiger van ook hun belangen terzake."

De ondertekenende bij de overlevende slachtoffers betrokken personen zijn bereid om in een procedure voor het Europese Hof onder ede als getuigen op te treden.

Hun verdere persoonsgegevens zijn bij gemachtigde bekend.

Een aanvullende verklaring van de heer A. Pouri, betrokken bij de organisatie PRIME, op diverse plaatsen in het verzoekschrift aan het Hof genoemd, o.a. in hoofdstuk 13, zal nog zo spoedig mogelijk aan het Hof worden toegezonden.

Hoogachtend,

N.M.P. Steijnen,
gemachtigde

AttachmentSize
CieRechtsherstel_aan_Europees_Hof_inclusief_begeleidend_schrijvenkl.pdf82.54 KB